Interview met wijlen Bert Simon
Door Peter Bouman & Melanie Tangkau
Over zijn vooroorlogse tijd als Ambonese jongen, net als zijn familie door de eeuwen trouw:
'Buiten schooltijd had je wel verschillen. Ik trok op met de jongens Buis en Flohr de la Parque. Aangezien mijn vader een bepaalde functie had in die vooroorlogse society - net als meneer Tobeng en meneer Soet, ambtenaren van het residentiekantoor - woonden wij ook in die buurt waar 80 procent Indo's woonden. Dus ik ging ook met ze om. We speelden, geen probleem. Alleen af en toe hoorde je: "Ach die vuile inlander...".
In het voormalige Buitenzorg had je twee zwembaden: Kedoeng Halang en Berglust . En dan had je er een ver uit de stad. Maar in Kedoeng Halang stond een bord 'Verboden voor inlanders'. En in de Sociëteit stond ook een bord 'Verboden voor inlanders'. Dus als mijn vrienden of vriendinnen in het zwembad Kedoeng Halang zwommen, mocht ik alleen kijken: van boven... , ik mocht niet naar binnen. Dat was in de soos ook zo. Sans rancune hoor, maar dat gebeurde. Je leefde in dat koloniale erf, ja toch? Je had te accepteren, klaar. Maar later toen ik groter werd, ging ik piekeren.
En het woord Indonesiër, dat was levensgevaarlijk! Je werd gelijk getjapt (bestempeld) als nationalist, communist, noem maar op. Anti-Nederlands. Op de Mulo kreeg je drie soorten geschiedenis. Je had dus vaderlandse geschiedenis, dat was dus Nederlandse geschiedenis. Je had Indische geschiedenis, dus over Indië, Indonesië. En dan had je algemene geschiedenis, dus over de hele wereld. Ik weet nog goed, vaderlandse geschiedenis of Nederlandse geschiedenis: dat was zó'n dik boek. En de Indische geschiedenis was een heel dun boekje. Maar ik dacht, vaderlandse geschiedenis? Nederland is toch niet mijn vaderland? Dus wat deed ik? In plaats van vaderlandse geschiedenis schreef ik op: Nederlandse geschiedenis . En op het Indische geschiedenisboekje, schreef ik op het kaft: vaderlandse geschiedenis . Ik zal het nooit vergeten, we kregen les van meneer Beerling, dat was in 1938. En omdat ik de zoetste was, zat ik altijd voor, dus direct onder controle van de leraar.
De leraar zei: "Bert, geef mij jouw boek van de Indische geschiedenis."
"Ja, meneer" en ik gaf hem dat boek.
"Dit is het niet"
"Waarom niet?"
"Hier staat vaderlandse geschiedenis!".
Ik zei: "Ja meneer, dat is het Indische geschiedenisboek. Indië is toch mijn vaderland?!"
Ik zag zijn gezicht verstrakken, zó, maar hij zei niks. Na de les gaf hij het mij terug. Hij ging naar de lerarenkamer en ging naar de directeur. Zijn naam zal ik nooit vergeten. Hij heette Rosier.
Tien, twintig minuten erna, wie kwam daar aan?
De directeur: "Bert Simon, bij mij op kantoor komen!"
Ik had wel veel streken uitgehaald, maar nooit dat ik naar het kantoor van de directeur moest. Enfin, ik kwam daar en hij zei:
"Wat is er gebeurd?"
Ik vertelde het hem.
"Nou", zei hij, "Je bent van school verwijderd. Hier heb je een brief voor je vader, morgen mag je weer op school komen, maar je vader moet die brief ondertekend hebben".
"Waarom meneer?"
"Dat heb ik in de brief aan je vader vermeld" Ik naar huis en pa kwam thuis.
En ik vertelde: "Ik ben vandaag van school verwijderd pa. Hier heeft u een brief van directeur Rosier. Die moet u ondertekenen, dan kan ik morgen weer naar school".
Ik was me van geen kwaad bewust, ik wist van de prins geen kwaad.
"Wat heb je dan gedaan, heb je weer kattenkwaad uitgehaald?"
Dat was pa van mij gewend, begrijp je.
Ik zei:"Nee pa, ik heb niks gedaan, ik snap het ook niet".
En pa maakte die brief open, ik weet het nog goed, aan de etenstafel. Mijn vader is donker van kleur maar hij werd zo blank als wat! Ja, betoel, hij trok wit weg. Maar toen begreep ik wat ik gedaan had. Ik had de hele familie bijna in het ongeluk gestort.
Hij werd lijkbleek en zei van:
"Jongen, jongen, wat heb je gedaan?"
Ik zei: "Niks, ik heb niks gedaan. Echt pa, ik zweer pa, ik heb niks gedaan".
Ik begon al een beetje te huilen.
"Ik heb niks gedaan..."
Maar mijn vader wilde mij niet geloven. Hij kon niet geloven dat ik niks had uitgehaald.
Ik zei: "Betoel pa, ik heb niks gedaan, ik zweer het".
En toen zei hij: "Wat is er dan gebeurd?"
En toen vertelde ik het hem en zei hij: "Dat moet je nooit meer doen, want ik kan daardoor ontslagen worden en waar moeten we dan naartoe? Jouw moeder, de andere kinderen, waar moeten wij naar toe?"
Toen begreep ik dat je als inlander of Indo niet zoiets moest zeggen. Je wordt meteen getjapt als subversief door de Nederlandse regering. "Wat moet er met ons gebeuren als ik ontslagen wordt? Als ze denken dat ik ook een nationalist ben of een communist. Wat dan? Wat gaat er dan met jou gebeuren? Waar moet je naar school? Want je wordt meteen uitgeschakeld van de gemeenschap, begrijp je. Toen zei ik: "Pa, ik zal het nooit, nooit meer doen".
Ja, ik wist toch niet, dat dat zulke ver strekkende gevolgen zou hebben. Ik was zo'n kleine kwajongen. Dat is mijn pijn die ik meegemaakt heb toen ik op de Mulo-school zat. Zogenaamd nationalisme. Je mag geen eens zeggen dat Insulinde jouw vaderland is, je wordt meteen van school gestuurd...' |