Stichting Cerita Fakta
Postbus 67060
1060 JB Amsterdam

INDONU DVD
Een 53 minuten durende documentaire met 8 korte filmthema's van 20 minuten over Indische wortels, identiteit en toekomst door Carol Burgemeestre en
Peter Bouman

C o n t a c t
Carol Burgemeestre
Mobiel: 06 241 29 616
E-mail: sonar@tiscali.nl
C o n t a c t
Peter Bouman
Mobiel: 06 245 10 434
E-mail: boutext@xs4all.nl
V E R T O N I N G
documentaire
  - bekijk de
site voor actuele data en plaatsen in 2008.
   
  Foto's tentoonstelling Verzetsmuseum in Amsterdam
   
   
 
  Nina en Iranila, de jongste generatie, bezoekt de tentoonstelling over het vooroorlogse Nederlands-Indië, de bezetting door Japan, de Bersiap en de periode tot de onafhankelijkheid en de repatriëring in het Verzetsmuseum in Amsterdam
   
 
  Tekeningen uit het boek van meneer de Kovel Jappenkamp/Bersiap
   
   
 
 
Dvd IndoNu - Pers
BESTEL de DVD - download boekje DVD (2Mb)
PREMIERE IndoNu 25 mei
Citaten IndoNu
Oorlog en Bersiap
Kinderen leren over bezetting en Bersiap
Interview met wijlen Bert Simon
 

Over Oorlog & Bersiap

Harriet Ferdinandus, directeur Stichting Pelita
‘De gevolgen van de oorlog voor de doelgroep zijn heel divers.
Er zijn natuurlijk veel mensen die zich daar op bewonderenswaardige manier doorheen hebben geslagen in het leven. Hier in Nederland weer hebben weten op te bouwen.
Er zijn mensen die wel problemen hebben, maar die dat niet verbinden aan de oorlog. Dat is ook een belangrijke categorie. Dat zijn de belangrijkste klanten van Pelita, die heel duidelijk oorlogsgerelateerde problemen hebben. Daar ook voor komen en die bij ons de juiste hulpverlening vinden omdat wij de achtergronden kennen, het oorlogsverhaal, waardoor we ook heden en verleden aan elkaar kunnen koppelen en bepaalde gebeurtenissen en bepaalde gedragingen ook begrijpelijk en aanvaardbaar kunnen maken voor mensen, zodat ze daarmee ook verder kunnen.

De oorlog werkt binnen de families natuurlijk sterk door. Het is natuurlijk zo, dat de mensen die uit Nederlands-Indië kwamen een periode achter de rug hadden waarin de normale familieverhoudingen afwezig waren. Vader was - in veel gevallen - ergens geïnterneerd als krijgsgevangene. Moeder met kinderen in een kamp. Vanaf het moment dat de oorlog afgelopen was, was het moeizaam het normale gezinspatroon weer op te bouwen. Het leverde allerlei problemen op. En dat maakt dat de familieverhoudingen vaak moeizaam zijn en dat het ook een uitwerking heeft op de kinderen van toen.

Behalve de periode van de Japanse bezetting is er natuurlijk ook de enorm onveilige periode van de Bersiap geweest. De mensen die de oorlog buiten de kampen hebben meegemaakt, die hebben ook heel veel problemen gehad van de oorlog. Maar toen de bersiapperiode aan de orde was, toen waren er natuurlijk specifieke onveilige situaties die de mensen natuurlijk nog heel lang met zich meedragen. Onverwachte aanvallen op personen en hele transporten. En natuurlijk dat die periode als uiterst onveilig is ervaren. De basisgevoelens rondom die oorlog is een verstoorde veiligheid of dat nu in of buiten het kamp was, maakt naar mijn mening, niet zoveel uit. Het gaat om de mate waarin men zich beschermd of niet beschermd heeft gevoeld. Alle levenszekerheden stonden op het spel. En dat is ontwrichtend voor de verdere ontwikkeling van je persoonlijkheid.

De gevolgen van die oorlogsperiode voor de 2e en de 3e generatie is een diverse uitkomst. Daarvoor geldt natuurlijk ook dat sommigen daar probleemloos doorheen komen. Voor anderen geldt dat meer de identiteitvraagstukken op de voorgrond staan. Wie je bent, hoe Indisch ben ik, hoe Nederlands ben ik en welk evenwicht daarin zou ik zelf prettig vinden, die strijd.
Maar er zijn ook 2e en 3e generatie die hele duidelijke, overgebrachte trauma’s hebben van de oudere generaties. En dat is meestal een zware groep van problematiek die je niet zomaar kunt behandelen of benaderen zonder kennis van zaken van de problematiek van de 1e generatie.’
 
Suzanne ten Have, 1e generatie
‘Aan mijn kinderen heb ik ook over de oorlog verteld. Zij vragen erom. Dat ik niet in een kamp ben geweest maar buiten het kamp. Daar was het soms heel moeilijk maar we hielpen de mensen die in de kampen waren door stiekem eten onder de kawat of onder de gedek door te schuiven.’ We wisten niet waar mijn vader naar toe ging. Dat hoorden we pas later, hier in Holland. Dat hij in Japan in de loodmijnen heeft gewerkt. Daar is een boekje over geschreven en uitgegeven door de heer Wormser. We hebben dhr. Wormser gevraagd of het boekje iets voor ons was en toen zei hij:
“Jullie moeten maar eens bij mij komen”.
Mijn broer, mijn zus en ik kwamen daar, belden aan en toen zei hij:
“Met jouw vader heb ik in het kamp gezeten”
We hebben vier uur aan zijn lippen gehangen. En in dat boek staat alles over mijn vader.’
 
Frans Leidelmeijer, 2e generatie
‘Mijn ouders leven niet meer. Helaas. Maar wat ik hen nog had willen vragen is hoe het leven in Nederlands-Indië precies was, hoe ze dat hebben ervaren. En wat ze er van vonden toen ze hier kwamen, want dat weet ik eigenlijk niet. En of ze gelukkig waren, dat heb ik ze eigenlijk nooit gevraagd. En helaas kan ik het ze niet meer vragen.

Het leven in Nederlands-Indië, daar weet ik eigenlijk ook zo weinig van. Ik vermoed wel hoe het gegaan is, maar hoe precies, dat heb ik maar ten dele meegemaakt, toen was ik denk ik nog te jong. Maar hoe zij dat hebben ervaren?

Toen we naar Nederland gingen in 1951, vertelde mijn vader over het kamp. Dat er dus honger was, grote honger en dat er geen eten was. “Toen moesten we muizen en ratten eten!”, zei hij.

En dat heeft zo'n indruk op me gemaakt. Ik was sowieso al geen vleeseter. Ik ben grootgebracht met tahu en tempé, maar in Nederland heb ik dus vlees leren eten. Maar vanaf die dag at ik heel weinig rood vlees. Want als ik dan een biefstuk op m'n bord kreeg en die biefstuk was niet helemaal doorbakken en ik zag een stuk rood vlees, dan dacht ik dat er een dode rat op mijn bord lag. Ik moest er helemaal niets van hebben. Als er dus aan tafel, terwijl we vlees aan het eten waren, over muizen en ratten werd gesproken, liet ik het eten staan. Dan lustte ik het eten niet meer en dacht ik dat ik ratten- en muizenvlees at. Dat is heel lang, nu nog hoor, nu moet ik er nog steeds aan denken.

Mijn vader sprak wel over de oorlog. Hij heeft dus in het Jappenkamp gezeten. Wij niet, mijn moeder en ik waren buitenkampers. En ik ben midden in de oorlog geboren, in 1942.

In het Jappenkamp kreeg je straf van de Jappen, dan moest je dus op je knieën gaan of je moest met je handen omhoog met een boek de hele dag in de zon staan. En als wij dan stout waren geweest, moesten wij ook op onze knieën. En dat hebben we hem naderhand toch wel heel erg kwalijk genomen.'

 
Stichting Cerita Fakta
Initieert culturele projecten met een
Indonesische of Indische achtergrond.